• Nederlands
  • Français
  • English (UK)

De invloed van de biotechnologie op voedselproductie, voedselverwerking en gezondheidszorg neemt een steeds grotere vlucht. Door sommigen toegejuicht, door anderen verafschuwt.

Deze website is bedoeld u een inzicht te geven over de voor- en tegenargumenten, de huidige toepassingen en ontwikkelingen en hun ecologische, economische en politieke invloed op de mondiale samenleving.

Om onze onafhankelijkheid te bewaren is bewust gekozen geen enkele vorm van subsidie te aanvaarden. Voor de financiering van onze activiteiten hebben we twee bronnen: onderzoeksprojecten en de exploitatie van een ‘chambres d’hôtes’, Ferme la belle vue, tel: +32 (0)61 46 78 13 of  +32 (0)3 281 55 78

Deze is gelegen in de Ardennen in een prachtig wandelgebied, (zie foto's) ook aan te bevelen voor sportieve fietstochten zowel met de koersfiets als de mountainbike. Maar ook om rustig een boek te lezen en te genieten van de rust in deze omgeving.

 

 

2010 02 10

In 1985 werd een ad-hoc werkgroep ‘Regelgeving betreffende biotechnologie’ opgericht door de Inter-ministriële Commissie voor Wetenschapsbeleid opgericht. Doel: het inventariseren van bestaande regelgeving die van toepassing was op biotechnologie en het evalueren van deze regelgeving in het kader van internationale harmonisering. De werkgroep bestond uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Economische Zaken, het Ministerie van Landbouw, het Ministerie van Tewerkstelling, het Ministerie van Volksgezondheid en Milieu en het Ministerie van Wetenschapsbeleid. Op die moment nog allemaal nationale ministeries.

De eerste vrijzettingen van GMO’s dateren van 1986 en waren veldproeven met genetisch gemanipuleerde planten. De bevoegdheid voor het behandelen van deze dossiers werd automatisch toegekend aan het Ministerie van Landbouw. Dit was gebaseerd op het feit dat dit Ministerie de wettelijke bevoegdheid had om experimenten met nieuwe variëteiten te regelen.

In diezelfde periode werden op Europees niveau de besprekingen bezig voor het ontwerpen van de regelgeving van de vrijzetting van GGO’s. Hierbij waren de administraties van het Ministerie van Landbouw, het Ministerie van Wetenschapsbeleid en het Ministerie van Volksgezondheid en Milieu (IHE) actief betrokken.

Bij de beoordeling van de dossiers heeft de administratie van het Ministerie van Landbouw steeds het Instituut voor Hygiëne en Epidemiologie (nu SBB) betrokken.

Eenmaal dat de Europese richtlijn 90/220 er was is het getouwtrek over bevoegdheden tussen de regionale en nationale ministeries begonnen. De discussie ging vooral tussen de Vlaamse regering, die de Europese richtlijn zag als een milieu-richtlijn, en dus als een bevoegdheid van Vlaanderen, en de nationale regering die de nadruk legde op het economische aspect van de richtlijn. Daarbij kwam dan nog dat in de praktijk tot op die moment het Ministerie van Landbouw en het IHE de aanvragen behandelden en ook op Europees niveau de richtlijn mee hadden uitgewerkt. Zo hadden ze een stuk expertise opgebouwd, o.a. via training georganiseerd door Europa, coördinatie van onderzoek in het programma BRIDGE van Europa, bijwonen van internationale workshops en bijeenkomsten, het uitbouwen van een netwerk van experts.

Zo zag de ‘politieke’ situatie er dus uit 20 jaar geleden.

Voorlichting en transparantie

Hoe het betrekken van de ‘burger’ in de discussie over ‘biotechnologie’ zich in België al jaren voortsleept. Een aantal miljoenen kostende projecten en studies werden gefinancierd met belastinggelden, met als voorlopig resultaat nul.

 Een overzicht:

  • 1986   Stichting Technologie Vlaanderen (STV)

Een rapport met als titel ‘Maatschappelijke aspekten van de biotechnologie in Vlaanderen: een verkennend onderzoek’ wordt gepubliceerd. Dit rapport is het resultaat van het gelijknamig onderzoek dat in opdracht van het STV werd uitgevoerd aan het Laboratorium voor Genetika te Gent gedurende de periode tussen november 1985 en november 1986. Hiervoor werden twee onderzoekers (Patrick De Smet en Dani De Waele) aangetrokken.

  • 1987  STV brochure

Het voorgaande rapport verschijnt in een meer gepopulariseerde vorm met als titel ‘Biotechnologie: Een waaier van toepassingen, een netwerk van maatschappelijke gevolgen’. Dani De Waele is de samenstelster van deze brochure.

Uit de inleiding: ‘Wij hopen dat deze kennismaking met de biotechnologie de interesse kan opwekken voor verder onderzoek en voor initiatieven aangaande de maatschappelijke aspekten van de biotechnologie’.

Het volgende over de rol van het publiek wordt hier in vermeld: ‘Het publiek informeren is belangrijk. Doch niet enkel over wat biotechnologie allemaal technisch kan, maar ook over zin en onzin, over nobele en luktratieve bedoelingen, over technische spielereien en gadgets, over nut en genot, over moeilijkheden en risiko’s, over wat kan en over wat niet kan, over noem het maatschappelijke gevolgen, aspekten, reperkussies, konsekwenties, invloeden, effekten of belangen. … Een genuanceerde voorlichting over wat nu en in de nabije toekomst technisch gezien kan en niet kan is één zaak en moet deskundig, in alle openheid en begrijpbaar gebeuren. Wat groepen van mensen, wat individuele mensen willen ontwikkeld zien en niet willen ontwikkeld zien is een andere zaak en belangt ieder van ons aan.’

  • 1990 Vlaams Actieprogramma Biotechnologie (VLAB)

Onder impuls van minister De Batselier werd het Vlaams Actieprogramma Biotechnologie gestart in februari 1990. Hieraan was een totaal budget toegekend van 910 miljoen BF (€ 22.558.310,75) voor de periode van 1990 tot 1994. De Vlaamse overheid voorzag hiervan 777,360 miljoen BF (€ 19.270.251,04) en de industrie 132,640 miljoen BF (€ 3.228.059,71).

De volgende onderdelen moesten hiervan gefinancierd worden:

-      middellange termijn onderzoek: coöperatief onderzoek tussen publieke onderzoekcentra en industrie. Hiervoor was een budget voorzien van 322,371 miljoen BF (€ 7.991.368,35)

-     lange termijn acties: 9 laboratoria aan universiteiten werden gefinancierd voor innoverend onderzoek. Budget: 341,244 miljoen BF (€ 8.459.297,80). Deze laboratoria moesten jaarlijks trainingsprogramma’s verzorgen waarvoor een apart budget van 18,958 miljoen BF (€ 469.956,54) was voorzien.

-     achtergrondonderzoek met als bedoeling technologie transfer te kaderen, industrieel en commercieel nut te ondersteunen, de nieuwe technologie te sturen en technologische aspectenonderzoek uit te voeren. Mogelijke thema’s die werden voorgesteld: interdisciplinair onderzoek op het terrein van de voorspellende ecologie, lange termijn milieu aspecten, regelgeving en wetgeving, risico onderzoek, strategieën om het publiek te informeren. Toegekend budget: 56,874 miljoen BF (€ 1.409.869,63).

-     De rest van het budget ging naar het beheer en de administratie van het VLAB.

Het eerste luik ging bijna dadelijk van start. Voor het achtergrondonderzoek werd een hearing gehouden in juni 1990. De onderzoeksaanvragen mochten bij een eerste oproep worden ingediend tot einde 1990. Een tweede oproep werd gelanceerd met als sluitingsdatum midden 1991. Einde 1991 viel de regering. Na de samenstelling van de nieuwe regering bleek dat niet alle budgetten voor het achtergrondonderzoek waren vastgelegd in de vorige legislatuur. Minister-president Van den Brande stuurde het onderzoek naar meer economische aspecten.

  • 1993 Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek  (VITO)

In 1993 verscheen bij Acco het boek ‘Biotechnologie en opinieleiders. Bijdrage tot een maatschappelijk debat’ van Marina Opsomer. Dit was het resultaat van haar onderzoek dat ze uitvoerde in opdracht van VITO.

Om dit onderzoek te situeren het volgende uit het voorwoord:

‘VITO werd opgericht in 1991 als een autonome instelling waarbij de niet-nucleaire activiteiten van het Studiecentrum voor Kernenergie werden overgenomen. Binnen een aantal krachtlijnen van de bestaande onderzoeksprogramma’s werd het technologische onderzoek gekoppeld aan aspecten van Technology Assessment (TA) zoals milieu, gezondheid, veiligheid en publieke perceptie. Deze geïntegreerde aanpak van TA werd door de VITO overgenomen en wordt momenteel verder uitgewerkt en aangepast. … De Afdeling Leefmilieu van de VITO omvat een belangrijk luik ‘Biotechnologie’ waarbij onder meer onderzoek wordt verricht naar de toepasbaarheid van genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) voor milieusanering. Daarbij wordt ruim aandacht besteed aan de potentiële risico’s voor mens en milieu van een eventuele overleving van GGO’s in de vrije omgeving en van een mogelijke ontsnapping van genen van GGO’s naar het milieu toe.
In dit TA-kader bestond er behoefte te weten in hoeverre de toepassingen van deze technologie in Vlaanderen gewenst en aanvaard zijn. Hiertoe werd in samenwerking met de Centra voor Politicologie en voor de Studie van de Nieuwe Media en Informatietechnologieën van de VUB onderzocht welke de attitude en de gevoeligheden zijn van de geïnformeerde ‘opinieleiders’ ten opzichte van deze technologie. Uitgangspunt van dit onderzoek was, dat de houding van opinieleiders bepalend is voor de houding van het brede publiek en dat uit de resultaten kan worden afgeleid in welke richting de wetgeving inzake biotechnologie zal evolueren. Voor een succesvolle toepassing van de technologie is niet alleen het ingevoerde wettelijke kader van het grootste belang, maar moet de technologie ook het vertrouwen van het publiek genieten.’

Begin 1995 is door de regering de opdracht van het VITO herschreven. Het TA aspect werd uit hun takenpakket gelicht. Hun werk kreeg een andere wending en spitst zich nu toe op het ontwikkelen van technologische oplossingen is samenwerking met de industrie.

  • 1995 Vlaams Interuniversitair Instituut Biotechnologie (VIB)

Het VIB werd door de Vlaamse regering in het leven geroepen in 1995 en werd in 1996 operationeel. Het instituut ontvangt een jaarlijkse dotatie van 1 miljard BF (€ 24.789.352) van de overheid.

In haar jaarverslag van 1999 omschrijft ze haar opdracht als volgt: ‘VIB wil de basis leggen voor een betere levenskwaliteit met drie complementaire kernactiviteiten. Daartoe:

-     ondersteunt en bouwt VIB het strategisch basisonderzoek verder uit. VIB garandeert wetenschappers stabiliteit en kwaliteit in hun onderzoeksopdracht en werkomgeving,

-     voert VIB een actieve octrooi- en licentiepolitiek. Nieuwe technologie en uitvindingen die voortvloeien uit het strategisch basisonderzoek worden industrieel en maatschappelijk gevaloriseerd,

-     streeft VIB naar een objectief en wetenschappelijk onderbouwd maatschappelijk debat rond biotechnologie. VIB verstrekt publieksinformatie en verricht onderzoek naar de impact van biotechnologie op de maatschappij.’

De eerste jaren werden vooral besteed om de eerste twee kernactiviteiten uit te bouwen. Wel werd er steeds ingegaan op de vraag om deel te nemen aan informatiesessie en debatten. Een website waarop informatie beschikbaar is wordt uitgebouwd. Einde 1997 wordt de eerste oproep gelanceerd voor het indienen van onderzoeksvoorstellen die kaderen in de derde kernactiviteit. Begin 1999 startten zeven maatschappelijke onderzoeksprojecten. Eén daarvan is toegekend aan STEM/UFSIA en behandelt de volgende maatschappelijke vraag: ‘Wat zijn in Vlaanderen adequate instrumenten voor het stimuleren van een rationeel publiek debat over gentechnologie, rekening houdend met de politieke en sociaal-culturele context van Vlaanderen?’ De resultaten van dit project zijn begin 2002 gepubliceerd.

In 2001 bouwde het VIB een grote tentoonstelling ‘Eet es genetisch’. In de rand van deze tentoonstelling werd een debat over biotechnologie in landbouw en voeding georganiseerd, dat vanaf het begin door externen werd geëvalueerd. Daarnaast werden verschillende brochures gepubliceerd, een lespakket en werd de website permanent aangepast.

In datzelfde jaar beslist de Vlaamse regering dat de maatschappelijke taak aan het VIB moet worden onttrokken. Vanaf 2002 behoort het stofferen van het maatschappelijk debat met informatie en onderzoek niet meer tot haar kerntaken.

  • 2000 Vlaams Parlement: raadpleging van diverse adviesorganen over de problematiek van genetisch gemodificeerde organismen.

De nood aan een breed maatschappelijk debat wordt ook door het Vlaams Parlement aangevoeld. Zij stemt op 9 februari 2000 een motie van mevrouw Trees Merckx-Van Goey waarin het volgende beslist wordt:
‘Het Vlaams Parlement,

-     overwegende dat het noodzakelijk is een onderbouwd en breed maatschappelijk debat te voeren inzake genetische gemodificeerde organismen

-     overwegende dat de diverse bestaande adviesorganen van de Vlaamse overheid, elk vanuit hun eigen gezichtspunt, ideaal geplaatst zijn om een nuttige bijdrage te leveren aan een onderbouwd en breed maatschappelijk debat als aanloop naar een parlementair debat;

-     beslist

1° om aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (Mina-raad), de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, de Vlaamse Gezondheidsraad, de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid en de Vlaamse Land- en Tuinbouwraad een advies te vragen ter verduidelijking van de vragen die zij stellen en van de knelpunten die zij vanuit hun gezichtshoek vaststellen met betrekking tot de GGO’s;

2° om aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (Mina-raad), de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, de Vlaamse Gezondheidsraad, de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid en de Vlaamse Land- en Tuinbouwraad te vragen hun globale visie met betrekking tot de problematiek van de GGO’s voor te stellen;

3° om aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (Mina-raad), de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, de Vlaamse Gezondheidsraad, de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid en de Vlaamse Land- en Tuinbouwraad te vragen hun vroeger uitgebrachte adviezen met betrekking tot GGO’s over te maken; …’

Al deze raden zijn op deze adviesvraag ingegaan. Dit vond ook weerklank in de pers. In De Morgen van 18 april 2000 verscheen hierover een artikel met als titel ‘Informatie over genetische manipulatie ontbreekt’.

Deze adviezen werden besproken in de hoorzitting in het Vlaams Parlement van 25 september 2001.

  • 2000 Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek (viWTA)

Het Vlaamse Parlement keurde op 17 juli 2000 het decreet goed houdende de oprichting van het Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek. De bureaucratische weg voor het operationeel maken van dit instituut kon van start gaan. De raad van bestuur werd samengesteld in maart 2001. In oktober 2001 was de aanwerving van de directeur voor het wetenschappelijk secretariaat rond. Vanaf maart 2002 wordt het personeel voor dit secretariaat aangeworven. Juni 2002 - op dat moment was de volledige personeelsbezetting nog niet rond – toch verschijnt het eerste jaarverslag. Dit boekwerk van 132 blz is erg verhelderend.

Het viWTA heeft een rol te vervullen bij het maatschappelijk debat. In haar voorstellingsbrochure wordt deze als volgt omschreven: ‘Het doel van het viWTA is de mening van de bevolking sterker aan bod te laten komen in het maatschappelijk debat over de mogelijkheden en beperkingen van nieuwe technologieën. Door genuanceerde en correcte informatie over de ontwikkelingen en standpunten wil het viWTA het brede publiek op systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze betrekken in het debat over wetenschap en technologie’.

Het eerste pilootproject voor 2002-2003 draagt de naam ‘Nieuwe impulsen voor het debat over Genetisch Gewijzigd Voedsel’. De doelstellingen van dit project worden als volgt omschreven:

-     volgen van de aanbevelingen van de vijf adviesraden over GGO’s, gesolliciteerd door adviesvraag van 11 februari 2002 van Trees Merckx-Van Goey houdende raadpleging van diverse adviesorganen over de problematiek van genetisch gemodificeerde organismen

-     verbeteren van de kwaliteit van het maatschappelijk debat over GGO’s in voeding en landbouw door het gebruik van participatieve methoden voor technology assessment

-     in kaart brengen van de huidige opinies (en de trends) over deze materie die leven bij de verschillende maatschappelijke groepen in Vlaanderen

-     betere verhouding tussen beleid, wetenschappers, middenveld en burger

-     onderbouwen van het beleid door vergroting van maatschappelijk draagvlak

-     opstarten van een intern leerproces rond de organisatie van participatieve technology assessment-projecten

-     bekendmaking en zichtbaarheid van viWTA verhogen

Na een voorstudie volgde op 22 november 2002 een symposium ‘Nieuwe impulsen voor het debat over genetisch gewijzigd voedsel. Vlaanderen kijkt over de grenzen’. Voor mei 2003 is een publieksforum gepland waar burgers hun vragen en discussiethema’s kunnen voorleggen aan deskundigen om te komen tot een eindrapport dat zal voorgelegd worden aan het Vlaams Parlement. Dit is bijna een kopie van het debat met lekenpanels dat het VIB organiseerde in 2001. Ook hier bepaalden de burgers de thema’s en legden ze vragen voor aan deskundigen. Het eindrapport – in deze reflectietekst genoemd – werd op 1 juni 2001 overhandigd aan de voorzitter van het Vlaams Parlement.

Daarnaast zijn in het kader van de Belgische wetgeving die veldproeven en het in de handel brengen  van GGO’s [1][1] reglementeert, de aanvragers verplicht een voorstel van informatieverstrekking aan het publiek in te dienen (art. 8, § 1, f). Deze informatie wordt ‘publieke fiche’ genoemd, waarin o.a. de sociaal-economische gevolgen van een toepassing moeten worden aangegeven. Deze fiches worden op de website van het SBB (Sectie Bioveiligheid en Biotechnologie van het Wetenschappelijk Instituut Louis Pasteur) gepubliceerd zodra de aanvraag is goedgekeurd. Het SBB is de administratie die instaat voor de organisatie van de evaluatie en administratieve afwikkeling van alle aanvragen voor veldproeven en het in de handel brengen van GGO’s. Zij zijn sinds begin jaren negentig operationeel. Het SBB heeft ter ondersteuning van de aanvragers een richtsnoer gemaakt voor het schrijven van een ‘publieke fiche’. Ook zij nemen geregeld deel aan debatten en symposia om informatie te verstrekken.

 

2010 02 25

Reeds voor er sprake was van GGO’s had ik contact met één van de  enthousiaste ontdekkers van deze ontwikkeling, Jeff Schell (1935-2003).  Samen met zijn vriend en collega Marc Van Montagu vond hij de ‘agrobacterium tumefaciens’ en de mogelijkheid met behulp van deze bacterie DNA over te dragen naar een plant over de soort grenzen heen. Zijn verwachting was toen, planten te ontwikkelen die geen kunstmest meer nodig zouden hebben, hun nodige voedingsstoffen aan de lucht zouden onttrekken.

Als prof aan de universiteit van Gent kreeg hij het aanbod wetenschappelijk directeur te worden bij Monsanto, met een jaarlijks budget van 600 miljoen $. Na de nodige overwegingen over dit toch aantrekkelijke aanbod stond zijn besluit vast: als ik dit aanneem ben ik geen wetenschapper meer, zit ik in een commercieel circuit. 

In 1978 werd hij directeur bij het Duitse prestigieuze Max Planck  Institut fur Pflanzenzüchtungsforschung in Keulen waar hij tot zijn pensioen bleef.

Als we nu de nog steeds voortwoekerende discussies volgen rond de toepassing van GGO’s blijkt dat deze keuze de enige juiste was. Alleen dan kun je werken aan een waardevrije ontwikkeling, aan fundamenteel onderzoek en op een wetenschappelijk verantwoorde manier de discussies voeren. Wetenschap vraagt immers om een permanente scepsis van de wetenschapper.

Helaas zien we dat steeds meer wetenschappers om verschillende redenen zowel commerciële belangen, als om het verkrijgen van subsidies, onrealistische oplossingen bedenken. Sommigen zeggen met GGO’s de armoede en blindheid te kunnen bestrijden, dat GGO’s de oplossing zijn voor het mondiale hongerprobleem. Een oogkleppen kijk, kortzichtig, wetenschappelijk onverantwoord. Ze zien ‘de samenhang der dingen’ niet.

De tegenstanders hebben hun bezwaren gericht op de biodiversiteit, contaminatie, ecologische en mogelijke gezondheidsproblemen.

Deze tegenstellingen en mogelijke problemen die deze tegenstellingen oproepen maken een maatschappelijke discussie noodzakelijk. Desondanks is hier in de afgelopen 20 jaar niets van terecht gekomen.

Toen in 1986 deze discussies op gang kwamen hebben we, Katrin Bilmeyer en ik, Vita Vitalis vzw/asbl opgericht met als doel op een verantwoorde manier deel te nemen aan de discussies rond GGO’s. We begonnen met de, volgens ons, noodzakelijke informatie in te winnen bij verschillende wetenschappers die in België en Nederland (Gent, Leuven, Gembloux, Wageningen) bij de ontwikkeling en toepassingen betrokken waren.

Na het terrein grondig onderzocht te hebben namen we contact op met de vermeende tegenstanders (Greenpeace, Friends of the Earth, Wervel). Ook met de politieke partijen ( toenmalige SP, CVP en Agalev). Een politiek debat was noodzakelijk. Het Ministerie van Landbouw moest immers de vergunningen verstrekken voor de noodzakelijke proefvelden en toepassingen. Dit was gebaseerd op het feit dat dit Ministerie de wettelijke bevoegdheid had om experimenten met nieuwe variëteiten te regelen.

Bij de beoordeling van de dossiers heeft de administratie van dit Ministerie steeds het Instituut voor Hygiëne en Epidemiologie ( nu het Secretariaat Bioveiligheid en Biotechnologie (SBB) van het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid) betrokken.

Op 23 april 1990 werd de Europese Richtlijn 90/220 inzake de verspreiding van genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) van kracht. De richtlijn voorziet o.a. het voorzorgsbeginsel gezien de risico’s voor milieu en volksgezondheid, verplicht informeren van het publiek. EU richtlijnen zijn gericht op het harmoniseren van de gemeenschappelijke markt en verplichten de aangesloten landen deze in hun wetgeving om te zetten.

Onmiddellijk begon het getouwtrek over de bevoegdheden tussen de federale en de gewestelijke ministeries. De Vlaamse regering zag de richtlijn als een milieu-richtlijn en als hun bevoegdheid. De Federale regering legde de nadruk op het economisch aspect en achtte het haar bevoegdheid. Dat in de praktijk op dat moment het Ministerie van Landbouw en het Instituut voor Hygiëne en Epidemiologie (IHE/SBB) de aanvragen behandelden speelde hierbij een rol.

Hierbij kan opgemerkt worden dat zowel het Ministerie als het IHE op Europees niveau de richtlijn mee hadden uitgewerkt. Beiden hadden door trainingen, georganiseerd door Europa, de nodige expertise opgebouwd o.a. door coördinatie onderzoek in het Biotechnology Research for Innovation Development and Growth in Europe programma (BRIDGE), het bijwonen van internationale workshops en het uitbouwen van een netwerk van experts.  

Ondanks dit alles spelen ook nu nog de verdeling van de bevoegdheden tussen de Federale Overheid en de Gewesten een rol. In 2009 verbood de Federale Overheid een veldproef met GG-populieren in Vlaanderen. De minister van Landbouw in Wallonië Benoit Lutgen wil zijn gewest GGO-vrij houden. In andere EU landen o.a. in Frankrijk, Oostenrijk, Duitsland en Nederland wordt nog gedebatteerd over het nut en de toelating van GGO’s, werden proefvelden met GGO’s vernield.

Ook internationaal zijn er voor- en tegenstanders. Discussies over toelating tussen VS en Europa. De VS die ten allen tijde de expansiedrang van hun industrie ondersteunen, tegenover Europa dat een afwachtende houding aanneemt betreffende de toelating van GGO’s in voeding en op het veld.

Tot zover de politieke situatie van 20 jaar geleden tot nu

In 1987 schreven we een artikel met de titel: Biotechnologie, schaap met vijf poten of zevenkoppige draak?’. Hiermee wilden we de aandacht vestigen op de nieuwe mogelijkheden en mogelijke gevaren van deze techniek. Het verscheen in het toenmalige maandblad ‘Socialistische Standpunten’ (1987 nr4). Het wetenschappelijk Bureau van de, toen nog, SP organiseerde een werkgroep onder voorzitterschap van prof Etienne Vermeersch om hun politiek standpunt over deze techniek te bepalen. Na de toen zwarte zondag genoemde verkiezingsnederlaag van de SP viel alles weer stil.

Bij de CVP hadden we contact met het Vlaams parlementslid mevr. Trees Merckx- Van Goey. Op 9 februari 2000 diende zij een motie in waarin ze ondermeer het volgende schreef:’ Niemand staat met ongeduld te trappelen om GGO’s te gebruiken. De consumenten staan er weigerachtig tegenover, boeren dreigen het slachtoffer te worden van monopolievorming door een beperkt aantal grote multinationals.’

‘vanuit het economisch aspect behoort Vlaanderen met bedrijven als Innogenetics en Plant Genetic Systems tot de topregio’s inzake onderzoek en ontwikkeling in biotechnologie. De creatie van GGO’s is zodoende geen ver-van-ons-bed-gebeuren.

Overwegende dat diverse bestaande adviesorganen van de Vlaamse overheid, elk van uit hun eigen gezichtspunt, ideaal geplaatst zijn om een nuttige bijdrage te leveren aan een onderbouwd en breed maatschappelijk debat in de aanloop naar een parlementair debat.’

Over hoe de burger bij dit debat te betrekken, zijn vele projecten en studies met miljoenen (BEF/€) gefinancierd. Met tot op heden geen enkel resultaat.

Een kort overzicht:

  • 1986 Stichting Technologie Vlaanderen (STV) rapport ‘Maatschappelijke aspecten van de biotechnologie in Vlaanderen’. Dit rapport was het resultaat van het gelijknamig onderzoek dat in opdracht van het STV werd uitgevoerd aan het Laboratorium voor Genetica in Gent. Twee onderzoekers (Dani De Waele en Patrick De Smet) werkten van november 1985 tot 1986 aan dit rapport
  • Dit rapport verscheen in 1987 in een gepopulariseerde vorm onder de titel ‘Biotechnologie een waaier van toepassingen’  De samenstelster was Dani De Waele.
  • In februari1990 werd door toenmalige Vlaamse Minister van Economie De Batselier (1988/1992) het ‘Vlaams Actieprogramma Biotechnologie’ gestart met een budget van 910 miljoen BF (22 558 310.75 €) verdeelt over de Vlaamse Overheid en de Industrie.
  • 1990 Information Seminar for NGO’s ‘Regulation of Genetically modified organisms in the European Community’ ( DGXI van de Europese Commisie Brussel)
  • 28/29 juni van dat jaar organiseerde het Vlaams Actieprogramma Biotechnologie een ‘hearing’ over biotechnologie, de mogelijkheden en mogelijke bedreigingen.
  • 1991 Workshop ‘Publieksvoorlichting over biotechnologie’ Jesus-Eik België (Vlaams Actieprogramma Biotechnologie)
  • 1992 Symposium on the Belgian Implementation of the European Biosafety Regulations of Biotechnology georganiseerd door William Moens (IHE). Hier kregen wij een eerste contact met hem en het IHE. We stelden vast dat de heer Moens een wat afwerende houding had tegenover ons. Na een telefoongesprek met hem van ongeveer anderhalf uur waarin we onze visie gaven over de toepassing van GGO’s en publieksvoorlichting was het ijs gebroken.
  • Information Seminar ‘Implementation of EC Directives 90/219/EEC and 90/220/EEC on the contained use and deliberate release of genetically modified organisms’ (DG XI van de EC Brussel)
  • 1994 Mina-raad ad hoc werkgroep Genetisch Gemodificeerde Organismen van de Milieu-en natuurraad Vlaanderen. Dit resulteerde in het advies ‘inzake maatschappelijke en milieuaspecten verbonden aan activiteiten met GGO’s’ aan het Vlaams beleid.
  • 1996/1997 Ministerie van Economische Zaken Dienst Industriële Eigendom Commissie ad hoc. De bedoeling was een inzicht te krijgen in de verschillende standpunten van sociale organisaties, industrie en wetenschap omtrent de Europese Richtlijn over het patenteren van biotechnologische vindingen. Drie bijeenkomsten georganiseerd 14/10, 10/12/’96 en 01/10/’97
  • 2000 Vlaams Parlement ziet de nood aan een breed maatschappelijk debat. De motie van mevrouw Trees Merckx-Van Goey wordt goedgekeurd (zie hier boven). Aan een aantal adviesraden werd hun visie gevraagd. Het Vlaams Instituut Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek (viWTA), gelieerd aan het Vlaams Parlement, startte een pilootproject (2002-2003) ‘Nieuwe impulsen voor het debat over Genetisch Gewijzigd Voedsel). In dit project zat een publieksforum (2003).In het deskundige panel zat o.a. prof. Marc Van Montagu.
  • 2001 Seminar ‘Sustainable Agriculture in the Third World: Defining a role for Transgenic Crops and Research’ georganiseerd door de Federale Raad Duurzame Ontwikkeling i.s.w met de Vlaamse Interuniversitaire Raad, Conseille Interuniversitaire de la Communauté Française de Belgique en de Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen.
  • 2001 Het Vlaams Instituut Biotechnologie (VIB) richt in Gent een tentoonstelling in onder de naam ‘Eet es genetisch’.
  • Debatreeks: ‘Biotechnologie in landbouw en voeding’ in Gent georganiseerd door het VIB
  • 2002 Aansluitend op de besprekingen in Lissabon werkt de Europese Commissie een consultatiedocument uit waarin de burger wordt opgeroepen zijn bedenkingen en commentaren te leveren over de introductie van GGO’s en de toepassing van biotechnologie.
  • Conferentie: ‘The role of biotechnology in industrial sustainability’ georganiseerd door het Vito.
  • 2003 Stakeholdersforum: ‘Nieuwe impulsen voor het debat over genetisch gewijzigd voedsel’. 15/09/2003 georganiseerd door het viWTA.
  • 2004 30 november opende minister van leefmilieu Bruno Tobback de zoveelste studiedag over toepassing van GGO’s met de woorden:’Dit geeft ons de kans om sowieso één van de doelstellingen van deze studiedag over GGO’s waar te maken. Namelijk de discussies over GGO’s uit hun hoekje te halen en verschillende betrokkenen samen tot verdere reflectie te bewegen’
  • Ook de Koninklijke Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten wilde haar steentje bijdragen om tot een goed onderbouwde dialoog te komen. Een werkgroep onder voorzitterschap van Prof. Van Montagu waarbij ook de industrie en NGO’s betrokken waren. De bedoeling was tot een document te komen dat helderheid zou verschaffen over mogelijkheden en wetenschappelijke kennis op dit terrein als basis voor een maatschappelijk debat. Helaas volledig mislukt.

In deze wirwar van symposia en werkgroepen, politieke druk, EU discussies en regelgeving moest het IHE/SBB haar rol spelen.

We namen opnieuw contact op met de heer William Moens de directeur van het IHE/SBB.

Dit naar aanleiding van een  onderzoeksproject (GMO releases:managing uncertainties about biosafety) in opdracht van The Open University Faculty of Technology  onder leiding van Prof. Les Levidow, Dr. Susan Carr en Dr.David Wield. Een onderzoek naar toepassing van de EC richtlijn 90/220 in de EU landen (1994/1995). Katrin Bilmeyer (Vita Vitalis) had de opdracht dit in België te onderzoeken. Na ongeveer een jaar van vragen, onderzoeken en vergaderingen met de EU partners was een eerste versie van het document klaar. We legden het voor aan de heer Moens met de vraag te verifiëren of dit een correcte weergave was van de Belgische situatie op dat moment (mei 1995).

Zijn reactie was een uitnodiging aan ons voor een discussie in verband met de nieuwe wet betreffende ‘bioveiligheid’. Met daarbij de vraag welke relatie Vita Vitalis wilde hebben met de experts van het IHE en volgens welke formele regeling. Dit kon volgens hem alleen met wederzijds respect. Voor ons was dat vanzelfsprekend  en essentieel om correcte inzichten te verwerven.

Onze ervaringen met andere overheidsinstellingen waren van een andere aard: weinig openheid, contacten liepen stroef. De politieke situatie speelde daarbij waarschijnlijk een grote rol. België was aan het regionaliseren (federalisering genoemd). Er werd een politieke strijd gevoerd over de bevoegdheden waarin ook het IHE een rol speelde. Dit sleepte al jaren aan en maakte de situatie voor het IHE zowel federaal als binnen de EU niet eenvoudig.

Dat het IHE onder leiding van de heer Moens haar opdracht serieus nam bleek ons na het ontvangen van de correcties waaraan het Instituut 54 werkuren had besteed.

Het aantrekken, van wat inmiddels het SBB noemde, van jonge wetenschappers, die naar ons gevoel ook de noodzakelijke ruimte kregen, was het werk van haar directeur William Moens.

In de richtlijn EU 90/220 werd uitdrukkelijk vastgelegd dat de informatie over proefvelden openbaar moest zijn. Dit komt neer op informatieverstrekking aan het publiek en was tevens de ingangspoort naar een publiek debat. In de richtlijn zelf staat echter niets over een publiek debat. Het is dan ook niet aan het SBB om dit te organiseren of te stimuleren. Desondanks heeft het SBB van deze verplichte informatieverstrekking een instrument gemaakt dat een basis had kunnen worden voor een publiek debat. In een werkgroep, waaraan wij deelnamen, werden publieke fiches uitgewerkt. Deze fiches moeten ingevuld worden door de aanvragers voor veldproeven met GGO’s (bedrijven en wetenschappelijke instellingen). Hier moeten zij technisch-wetenschappelijke gegevens verstrekken, ondermeer ook de te nemen maatregelen bij calamiteiten. Op ons aandringen werden hier ook socio-economische aspecten bij opgenomen. Hiermee werd de mogelijkheid geschapen hierop te reageren en in debat te komen met de aanvragers. Wij maakten alle NGO’s, die zich met deze materie bezig houden, hierop attent. Wezen op de mogelijkheid die dit gaf de zo gewenste de discussie aan te gaan en tot meer openheid te komen. Helaas waren we een roepende in de woestijn.

Een gefundeerde dialoog kan niet op gang komen zonder de politieke wil dit structureel aan te pakken. Maar we vermoeden dat dit ook in de naaste toekomst niet zal gebeuren.

Een verstorende factor bij het zoeken naar een plaats in de maatschappij voor biotechnologische toepassingen is de wetgeving. De richtlijn voor veldproeven is intrinsiek dubbelzinnig. Het is een milieu-richtlijn maar heeft tegelijkertijd als doel de harmonisering van de Europese markt. Hier worden economische en milieu belangen in één wetgeving gegoten. Deze dubbelzinnigheid wordt versterkt door het verdrag van Lissabon waarin de kenniseconomie naar voren wordt geschoven. (Als top prioriteiten werden door  Eurocommissaris Philippe Busquin  de nano- en biotechnologie naar voren geschoven. Hij dacht op deze manier de ‘braindrain’ naar de VS af te kunnen remmen)

Economische belangen zijn meestal moeilijk in overeenstemming te brengen met milieu vereisten en gezondheidsaspecten.

Het SBB had (heeft?) regelmatig moeite om de juiste wetenschappelijke gegevens te krijgen. Bedrijven schermden met geheimhouding vanwege hun concurrentie positie.

Bioveiligheid beoordelen zal dus dikwijls verscheurd worden tussen economische en politieke belangen en maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Ondertussen groeit mondiaal het areaal met GG-gewassen in Noord- en Zuid Amerika, China, Zuid Afrika (totaal 134 miljoen Ha.) en neemt het in Europa af (In 2009 met 11% tegenover 2008) De oorzaak hiervan is waarschijnlijk dat een aantal EU landen gebruik maken van de Europese vrijwaringsclausule.

 

marcel poppe & Katrin Bilmeyer

zie voor meer informatie: www.vitavitalis.be / www.forum-jeff-schell.eu

 

 

 

 

Hallo ik ben Aäron

 

 
Ik hoop jullie regelmatig  op de hoogte te houden van mijn katerkijk op de mensenwereld.

Mijn katerkijk op jullie samenleving wordt met het uur droeviger. Het nieuwe jaar, een beetje afhankelijk van jullie geloof, begon bloederig. Van enig Misjpoge-gevoel blijkt geen sprake meer te zijn. Jullie bepalen wie iemand is op basis van zijn/haar huidskleur, het soort haar en de kleur daarvan, de kromming van de neus en zijn taal. Dit terwijl jullie ook beweren dat jullie broeders en zusters zijn. Wordt het geen tijd om daar eens goed over na te denken? Samen om de denkbeeldige tafel te gaan zitten. Met jullie technische middelen is dat mondiaal ook mogelijk. Wat een vooruitgang zou ik dan denken. Maar wat hoor ik daarover? Dat jullie elkaar uitmaken voor rotte vis. Als er iemand doodgeschoten/vermoord wordt in een nachtclub in Istanbul  zijn de reacties van sommigen van jullie zonder meer beangstigend, onmenselijk. Jullie z.g. Joods/Christelijke beschaving zit duidelijk in een dieptepunt. Jullie stichten dan wel wat jullie noemen "denktanks". Maar de basis van jullie "denkers" hoe zit het daarmee? Welke contacten hebben zij met de gemiddelde burger, met de z.g. laaggeschoolden? Laat mij eens weten hoe jullie de ontwikkelingen zien. Wat is progressief en wat conservatief denken? Hoe we terugkeren naar Misjpoge, het "familie" gevoel noodzakelijk voor een vreedzame samenleving.

5 januari 2017

In 1987, dus 27 jaar geleden, schreven wij "Biotechnologie: schaap met 5 poten of zevenkoppige draak?". Dat verscheen toen in Socialistische Standpunten. We hebben dit voorgelegd aan de verschillende politieke partijen in Vlaanderen. Dit met de bedoeling het maatschappelijk debat over deze techniek op gang te trekken.

Wie belangstelling heeft voor dit nog steeds controversiële onderwerp stuurt ons zijn mailadres en wij zenden u dit historische document . 

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.