• Nederlands
  • Français
  • English (UK)

Het verwoestende graan.

Het verwoestende graan.

Levensbeschouwelijke visies 22 maart 2017

Frank Deurinck

De teelt van granen voor de opbrengst van hun zaden, ligt aan de basis van de overgang die de primitieve mens maakte van een zwervende jager-verzamelaar naar een sedentaire landbouwer. De co-evolutie van graan en mens, zorgde voor een explosie van beide populaties, die zich de wilde natuur hebben toegeëigend. Deze samenwerking moet dringend stopgezet worden.

Zelfzuchtige grassen.

Ons dagelijks brood komt voort uit een specifieke soort van grassen, met name ‘granen’. In het gematigde klimaat van het westen berust het grootste deel van de voeding op tarwe, dat behalve in brood ook verwerkt wordt in pasta’s. In het warmere en vochtigere oosten en zuiden, domineert een andere graansoort, nl. rijst. Op het amerikaanse continent was de dominante graansoort mais.

Oorspronkelijk zijn tarwe, rijst en mais wilde grassen met vele soortgenoten in de natuur. Grassen komen in de natuur voor op open plekken tussen struiken en bomen, waar ze zonlicht kunnen opvangen. Ze hebben weinig en meestal smalle bladeren of stengels, en vormen hun koolstof eerder onder de grond in de vorm van een langdradig netwerk van wortels, maar vooral in hun zaden: de koolhydraten die gebruikt worden in de menselijke voeding.

Granen zijn specifieke grassen omdat ze alles inzetten op een snelle voortplanting via de zaden. Ze investeren in wortels die diep gaan, maar niet breed. Ze investeren in stammen, stengels en bladeren die hoog en spits gaan, maar zich nauwelijks vertakken. Ze investeren zo veel mogelijk in de productie en verspreiding van hun zaden. Het zijn de ultieme zelfzuchtige planten die zo weinig mogelijk fenetische materie gebruiken (het ‘vehikel’ van de ‘selfish gene’) om zoveel mogelijk genetisch materiaal voort te brengen.
Granen zijn grassen met dikke zaadkorrels: de rijstkorrel, de maiskorrel en de graankorrel zijn bijna zo dik als de pitten van grote vruchten die aan struiken en bomen groeit. Maar de graanplant houdt zich niet bezig met vruchtvlees, want voor de voorplanting heeft ze geen dieren nodig die de zaden samen met het vruchtvlees opeten en een eindje verderop deponeren. Voor granen volstaat de wind, en sinds kort: mensenhanden.

 

 

Granen zijn eenjarige planten. Tijdens hun leven bloeien ze slechts een keer. Het is voortplanten en sterven. De zaden worden verspreid door de wind (of mensenhanden) naar nieuwe, maagdelijke grond waar ze opnieuw wortel kunnen schieten. De oude, lange en diepe wortel wordt achtergelaten, samen met de dunne stam, stengels en blaadjes die we kennen als hooi en stro. Daarin verschillen eenjarige planten fundamenteel van meerjarigen, die hun netwerk van wortels en bovengrondse ruwbouw laten overwinteren en bewaren. Meerjarige bessenstruiken, klimplanten zoals de komkommer of fruitbomen blijven ter plaatse, ze emigreren niet elk jaar naar een ander territorium. Dat geldt zeker voor degenen die zich voortplanten via het wortelstelsel, zoals aardappelen – die kunnen enkel ver weg emigreren als ze uit de grond worden getrokken en getransporteerd, naar een ander continent bijvoorbeeld (de precolumbiaanse aardappel emigreerde aldus van Amerika naar Europa, waar hij vooral populair was in landen met ruwe grond die door granen verafschuwd wordt, zoals Ierland).

Van nature is graan imperialistisch, in de zin dat het zich voortplant door nieuw territorium in te palmen. Meerjarige planten doen dat uiteindelijk ook, maar veel langzamer, en met de tussenkomst van vogels en dieren die mogen meegenieten.
Dat willen de graansoorten absoluut niet: dat hun zaden onderweg worden opgegeten door vogels (of mensen) is geenszins de bedoeling. In de magen van dieren worden de graanzaden immers direct verteerd en afgebroken. Enkel in maagdelijke, mulle, relatief vochtige grond waar de voedingsstoffen nog onaangeroerd zijn, kunnen de zaden kiemen. Dat is dan zelden in bossen die al bezet zijn door langzaam groeiende bomen, klimplanten en varens, of in gebieden met veel struikgewas en andere grassoorten. Bezet is bezet.

Mais, tarwe en rijst hebben steeds nieuwe grond nodig, en andere organismen lopen alleen maar in de weg. In het wild groeiden ze langs de randen van bossen en jungles, waar ze voldoende zonlicht konden vinden. Om te concurreren met andere planten specialiseerden de granen zich in verticale groei, diep maar vooral hoog, zodat hun zaden ook meer wind zouden opvangen; vanuit een hoge startpositie waaien de zaden ook verder weg dan die van hun kortere concurrenten. De kansen dat ze terecht komen op onbezette, maagdelijke grond wordt erdoor verhoogd. Dat is een slimme voortplantingsstrategie, maar in het wild niet zo evident. Meestal is de grond al ingenomen door andere planten, en voor langere tijd. Vaak is de grond te ruw, of te dicht aangestampt door viervoeters, of te droog – vooral rijst houdt van nattigheid.
In de wilde natuur is overleven en zich voortplanten geen makkie voor granen: hun zaden zijn nogal veeleisend. En elk jaar stelt zich hetzelfde probleem: helemaal opnieuw beginnen, met het ontkiemen van de zaden, het verlengen van wortels en stengels, het opklimmen in de hoogte en het torsen van de nieuwe zaden tot ze in een gunstige windvlaag losgelaten worden. Telkens opnieuw wordt de ganse infrastructuur die daarvoor werd opgebouwd, als nutteloos afval achtergelaten. Recycleren doen ze niet. Slechts enkele dieren kunnen het op prijs stellen, zoals paarden of vogels en zoogdiertjes die er hun nest mee bouwen. Ook mensen deden dat, met hutjes van stro die vermengd werd met modder of leem. Maar dat was niet de reden waarom mensen zoveel prijs stelden op granen. Tarwe, mais en rijst boden de mens iets heel bijzonders aan: calorierijke zaden met snel verbrandende koolhydraten.

 

Fastfoodimperialisme.

Snel voedsel is voor mensen die geen tijd of geduld hebben. Of met een aanleg voor luiheid. Of voor wie helemaal geen zin heeft om netten en vallen uit te zetten voor vissen of kleinere diertjes, die nochtans hoogwaardige eiwitten leveren. Of wanneer ze daarmee niet toekomen, wat wellicht de reden is waarom de primitieve jager-verzamelaar zich begon te interesseren voor het zaad van graan. Volgens sommigen begon de graanteelt echter als een experimentele hobby, gewoon omdat het kon, juist vanwege de overvloed aan andere levensmiddelen. Dat zou het geval kunnen geweest zijn in de mythische Tuin van Eden, die gesitueerd wordt aan de monding van Tigris en Eufraat in de Perzische Golf.

De zaden van granen bevatten minder proteïnen en zijn mogelijks van lagere kwaliteit dan de eiwitten in vlees, maar ze zitten erin. Als je ze eenmaal hebt, kun je ze makkelijk transporteren en bewaren, zelfs een voorraadje aanleggen. De zaden blijven langer vers dan dood vlees of geplukte vruchten. Dat kan nuttig zijn wanneer de migrerende vis te lang op zich laat wachten, de jacht weinig succesvol is geweest of het verzamelen van vruchten moeilijker was dan verwacht. Niet elke omgeving is hetzelfde, en geen enkele is stabiel. Een voorraadje zaden meenemen biedt dan ook zekerheid bij het verkennen van nieuwe gebieden in een omgeving die, hoe geleidelijk ook, steeds verandert. De primitieve aapmens die de mens voorafging, verliet steeds vaker de jungle om aan de rand met de savanne op zoek te gaan naar nieuwigheden. Zo ontmoette hij de granen, die bondgenoten in de migratie zou worden. Mensenhanden namen de taak van de wind over, maar menselijke zintuigen zochten doelgerichter naar maagdelijke grond dan de willekeurige wind. Dat maakte het bondgenootschap tussen mensen en granen duurzamer, maar niet in ecologische zin. Want de voorraadjes groeiden uit tot heuse graanschuren, en de mensheid groeide mee.

 

Alliantie met Homo sapiens

Terwille van het graan ging de mens op zoek naar maagdelijke gronden, of bereidde die zelf.
Verse en voedingsrijke gronden waren te vinden langs de oevers van de rivieren, dankzij eb en vloed, en omdat het water de mineralen van de bergen naar de lager gelegen gebieden vervoerde. Granen vonden er hun weg naartoe, en de mens moest er toevallig ook zijn, voor de visvangst.
Het telen van graan ontstond in de valleien tussen Tigris en Eufraat, of langs de oevers van de Nijl die regelmatig overstroomden. De stromende rivier met eb en vloed zorgde voor regelmatige vernieuwing en verversing van de grond, want loszittend materiaal werd stroomafwaarts afgevoerd en vanuit de bergen stroomde verse voeding naar beneden, een vorm van natuurlijke bemesting. De condities voor de graanteelt waren er optimaal, ook vanwege de gematigde temperaturen. In principe was er dan ook weinig arbeid nodig, want de natuur deed het meeste werk, nl. de grond verstoren door een natuurlijke catastrofe, maar het kon altijd beter, bijvoorbeeld door een deel van de rivierstroom af te leiden in kanalen die de droge grond verderop irrigeerden. De opbrengst is dan groter, en het is niet zoveel werk. Het enige probleem was de wind, die de zaden wegblies. Maar daarover later meer. Granen kunnen zich enkel voortplanten dankzij het catastroferen van de bestaande grond, hetzij door overstromingen hetzij door natuurbranden.

Een tweede manier waarop de mens maagdelijke grond kon voorbereiden bestond dan ook in het laten afbranden van bestaande vegetatie, tegenwoordig bekend als de ‘slash and burn’-techniek. Het komt er eenvoudigweg op neer om de concurrentie van andere planten uit te schakelen, hun territorium te veroveren en de voedingsstoffen in de grond te schenken aan de zaden van het graan. Dergelijke schenkingen werden door het graan beantwoordt met de teruggave van een opbrengst, waarvan het grootste deel door de mens mocht geconsumeerd worden. Een kleiner deel moest echter behouden worden voor de verdere voortplanting, anders zou het snel gedaan zijn met het bondgenootschap tussen mens en graan (‘co-evolutie’). De vindingrijke mens leidde deze voortplanting in goede banen door de zaden te selecteren van de planten die het beste gedijden in de gegeven omstandigheden. Dat vereiste een zekere techniek, die de vorm van het wilde graan zou veranderen.

Bij wilde granen groeien de zaden losjes aan de stengel, zodat ze gemakkelijk wegwaaien met de wind. Voor de mens was dit geen al te gunstige methode, omdat hij dan op zoek moest gaan naar de zaden die overal op de grond verspreid lagen. Het was interessanter om daar niet op te wachten, en de zaden te plukken als ze rijp genoeg waren, maar nog stevig vasthangen aan de stengel. Bij sommige plantjes lukte dat beter dan bij andere, reden waarom ze werden uitgekozen voor de volgende generatie. Mettertijd volgroeiden de zaden terwijl ze toch nog enige tijd stevig vast bleven zitten aan de stengel. De wind kon de opbrengst niet langer bederven. Met scherpe steen of ijzeren sikkel kon het bovengrondse deel van de plant afgesneden worden van de ondergrondse wortel (die voor vertering werd achtergelaten). De planten werden in bussels verpakt om met zaad en al vervoerd te worden naar de plek waar de mensen verbleven, en waar het serieuze werk kon beginnen: het kaf van het koren scheiden, de korrels pletten en vermalen tot meel om papjes mee te bereiden of broodjes te bakken. Al bij al, bleek er dus toch nog een pak arbeid mee gemoeid, maar het was veiliger zo dan alles over te laten aan de willekeur van de wind. Ironisch genoeg, moest de mens daarvoor zijn zwervend bestaan opgeven, en in plaats van plukken en jagen bracht hij nu zijn tijd door met het produceren en verwerken van graan, sedentair binnen de omheiningen van zijn ‘erf’.

De co-evolutie van mens en graan was voor beiden bijzonder gunstig. Wat het inpalmen van grondgebied betreft is dit overduidelijk. Het telen van graan, specifiek de ‘grote drie’ tarwe-mais-rijst, heeft bijna alle vruchtbare grond op deze planeet ingepalmd. De meeste bossen in de gematigde temperatuurzones moesten ervoor wijken, en de tropische jungles maakten plaats voor de rijstteelt en later ook de teelt van suikerriet en sojabonen die zich bij het bondgenootschap voegden. Maar ook de mens veroverde alsmaar meer territorium op de wilde natuur. De nobele wilde veranderde in de gesofisticeerde, ‘beschaafde’ mens, en hij geraakte overal. Waar de mens wilde natuur aantrof, werd deze onmiddellijk door hem geconfiskeerd. De wilde natuur werd door de mens tevens gestigmatiseerd als de bron van alle kwaad. In het bos woonde de boze wolf, in de zee bevonden zich monsters. Het territorium van de beschaving moest dus uitgebreid worden, als een kwestie van noodzakelijke levensruimte.
Homo Erectus en zijn ondersoort homo sapiens hadden zich reeds lang voor er sprake was van landbouw verspreid over de planeet, als nomadische jagers en plukkers. Hun populaties groeiden echter op matige wijze, omdat een kind vanaf de geboorte tot drie jaar oud aan de moederborst hing, een langdurige periode waarin geen nieuwe zwangerschap mogelijk was. Tussen broers en zussen was er minstens vier jaar leeftijdsverschil.
Bovendien was de kindersterfte groot, vooral omdat overleven in de wilde natuur grotere risico’s inhoudt, zoals gebeten worden door giftige slangen of opgegeten worden door hyena’s, wilde katten en krokodillen. Een sedentair bestaan op afgebakende en afgeschermde grond bood hiertegen meer veiligheid.

 

 

Culturele explosie
Toch waren het vooral de vermaalde en geweekte zaden van granen die de reproductie versnelden. Daar kon men immers meelpapjes van maken ter vervanging van de moedermelk. Vrouwen konden sneller opnieuw zwanger worden, en dat deden ze ook, op jaarbasis. Sedentaire landbouwers vormden kroostrijke gezinnen waarin de vrouw gemakkelijk negen kinderen of meer kon voortbrengen tijdens haar leven. Zo bekeken, bestond er een analogie met de snelle reproductie van granen, die eveneens alles inzetten op voortplanting en verspreiding van genen. Het lichamelijke ‘vehikel’ mocht daarbij verwaarloosd worden: landbouwers waren kleiner en fragieler dan de nomadische wilden. Dat werd gecompenseerd met beveiligde gebouwen, infrastructuur en wegen, productiehuizen, een hiërarchisch samenlevingsmodel en een ethiek op basis van godsdienst. Die laatste verheerlijkte het voortbrengen van kinderen, hoewel ze minder enthousiast was over de lichamelijke activiteit die er voor nodig is.

Natuurlijk was er heimwee in de landbouwgemeenschappen naar het zwerversbestaan, naar de jacht of naar de onbedorven natuur. Daartoe kwam een cultuur tot stand met sport, toerisme en avontuurlijk vermaak – desnoods op het videoscherm. Ook de sedentaire mens heeft nog behoefte aan verplaatsende lichaamsbeweging, al was het maar om gezond te blijven. Dergelijke compensaties waren echter voorbehouden voor de heersende elite, die al eens op jacht kon gaan en de tafel dekken met wilde everzwijnen, herten, kalkoenen en zo meer. Culinair moest de overgrote meerderheid van het volk zich echter tevreden stellen met een calorierijk, doch voedingsgewijs zeer arm dieet op basis van tarwemeel, gekookte rijst of zoete stroop van mais, aangevuld met aardappels en soms wat geteelde kolen of fruit. Het was pure overlevingskost waarvan je rotte tanden kreeg, maar genoeg om elke dag op het land te werken, om de grond voor te bereiden op de zaden voor het volgende jaar. Op die manier hadden ze nog wat lichaamsbeweging, maar helaas niet de juiste: gebogen ruggen bezweken onder het dragen van zware lasten, iets wat zwervers nooit hebben gedaan. De boer heeft een gedrongen uiterlijk, van altijd naar de grond te kijken; de zwerver is lang en slank, van steeds naar de horizon de turen. Artritis is een landbouwerziekte, zo blijkt uit een analyse van de gevonden skeletten. Zo ook een tekort aan ijzer en bloedarmoede. Maar bovenal: parasitaire infecties door het gedrongen samenleven. De productie van dicht opeengepakt voedsel, leidt nu eenmaal tot opeengepakte gemeenschappen; een speelterrein voor griep, builenpest, cholera, syfilis en meer.

Slechts zeer recent krijgt een groter deel van de bevolking een stukje vlees op het bord, maar het vlees  wordt gekweekt in omstandigheden die voor de dieren onaangenaam zijn, ook culinair. De verre voorouders van de huidige runderen, varkens en kippen waren wel wat anders gewoon dan het minderwaardige zetmeel van tarwe, rijst en mais (plus de afval van groenten, de antibiotica en de hormonen). Ze waren ook veel groter en gezonder, reden waarom de runderen eerst als lastdieren werden gebruikt, nadat ze door menselijke selectie minder agressief werden gemaakt.
In landbouwgemeenschappen was hongersnood een constante. Egyptenaren bouwde piramides, maar kenden ook de 7-jarige hongersnoden. Het Romeinse Rijk kende er 35 grote, en nadien verplaatsten ze zich naar West-Europa: tussen 500 en 1500 Engeland 95, Frankrijk 75 – de laatste dateert zelfs van 1795. Rusland was de volgende, met een climax van 4 tot 7 miljoen doden in 1934. Ondertussen deed Azië het beter, maar vanaf de 19de eeuw steeg het aantal incidenten, en de grootte ervan. Tijdens de Grote Sprong Voorwaarts vielen er in China 80 miljoen hongerslachtoffers.

 

 

Elite en hongersnood.
Dat zou niet zo geweest zijn als landbouw effectief was tegen de honger. “De schuld van de regering” wordt dan gezegd, maar het is de landbouw die het instituut regering voortbrengt: de economische infrastructuur, de productiewijze en het transport moeten in goede banen geleid worden door een leidende klasse die geen tegenspraak duldt. Het is het surplus dat in de graanschuren opgeslagen ligt, dat een heersende elite voortbrengt. Van in den beginne kregen haar leden een groter en eerbiedwaardigere graf plaats. Sociale dieren hebben meestal een hiërarchie, maar enkel mensen die boeren kennen ook een ongelijke verdeling van de goederen.
Voor de elite werd de productie van veevoeders trouwens een bijkomende lucratieve bezigheid, naast het monopolie op vruchtbare gronden, teelzaden en het ontginnen van kunstmest (stikstoffen, fosfaten) of mineralen en vitamines om aan het zetmeel toe te voegen. Een grote rol was weggelegd voor de sojaboon die, voor alle duidelijkheid, geen graan is maar een peulvrucht. Voor veevoeders wordt de soja genetisch gewijzigd en aangeplant in gerooide oer jungles zoals het Amazonewoud in Brazilië of de tropische regenwouden in en rond Indonesië. Het moet allemaal dienen om dieren te kweken die door mensen worden opgegeten. Met het vlees van wilde dieren heeft het nog nauwelijks iets te maken. Je kan evengoed direct sojaproducten eten, of andere peulvruchten.
Maar dat is het verhaal van soja, dat in wezen voortborduurt op de expansieve veroveringstocht van de granen, die nu al 75% van de menselijke consumptie uitmaken maar die slechts een miniem deel uitmaakten van het dieet van de zwervende jagers en plukkers. En het zijn niet deze wilden die de biosfeer ontwricht hebben, ook al hebben ze de extinctie van de mastodonten op hun geweten van zodra ze het warme Afrika verlieten voor de koudere klimaatzones.

Omdat granen altijd op zoek zijn naar maagdelijke gronden, zoals eerder beschreven vanwege hun eenjarige bestaan, bereikten de drie soorten op een bepaald moment de natuurlijke grenzen daarvan. Dat was in 1960 en voor de daaropvolgende jaren hadden doemdenkers een grote hongersnood voorspeld. Die kwam er niet, dankzij de vindingrijke mens die een methode ontwikkelde om de opbrengst per are te vergroten: naar analogie met de Japanse bonsai-boompjes werd geselecteerd op kortere planten, op dwergvariaties met een korte stam, minder bladeren en wortels. Dat verhoogde de oogstindex: minder afval, meer zaadproductie. De dwerggranen hebben echter in verhouding meer voeding nodig om de zware zaden te kunnen voortbrengen en torsen. Ze kregen krachtvoeding van de mens, in de vorm van kunstmest. Niet langer werd beroep gedaan op de traditionele mest van de dieren op de boerderij, maar op de ontginning van stikstoffen uit aardgas en van fosfaten of potassium. Tegelijkertijd ontwikkelde de chemische industrie bestrijdingsmiddelen (pesticiden, insecticiden en ook ontbladeringsmiddelen) om het risico op verliezen, dat bij gebrek aan diversiteit was toegenomen, te verkleinen.
De Groene Revolutie, zoals ze genoemd wordt, was een enorm succes. Ze wende niet alleen de verwachte hongersnood af, maar maakte het ook mogelijk dat de wereldbevolking op korte tijd (1 generatie) verdrievoudigde van 2 naar 6 miljard. Het voeden van al deze graan-en vleeseters berust echter op een infrastructuur van productie- en transportmiddelen die quasi volledig afhankelijk is van fossiele brandstoffen. Men zaait nu met vliegtuigen, men ploegt met tractoren, men oogst met geautomatiseerde dorsers, men transporteert met dieselverslindende vrachtwagens of containerschepen, men verwerkt het in meelfabrieken, verpakt het in plastic en dient het op, zoals in de fastfood restaurants, in chemisch isolatiemateriaal. De stikstoffen, fosfaten en pesticiden komen terecht in rivieren die uitmonden in oceanen die verzuren en verstikken. De uitstoot van broeikasgassen komt terecht in de atmosfeer die daardoor opwarmt. De intensieve teelt put de voedingswaarde van de grond uit in een recordtempo, waardoor ze erodeert tot stoffige woestijn en verzilt door een tekort aan zoet water. Want regenwater is al lang onvoldoende: er moet water opgepompt worden uit de reservoirs in de ondergrond – ook dat met fossiele verbrandingsmotoren. De ecologische voetafdruk van de landbouw is planetair, we hebben de hele biosfeer ‘omgeploegd’.

 

Alternatief

We moeten naar een alternatief, dat is duidelijk, en het valt nog te bezien of de klimaatverandering ons voldoende tijd zal bieden om het te realiseren. Maar het bestaat: in plaats van het lineair voortschrijdend groeimodel van de huidige landbouw, zoals het gestuurd wordt door de granenteelt (met recent ook de aardappelen-, suikerriet- en sojateelt), moeten we beginnen met een cyclische landbouw. Niet alleen een biologische of organische, maar ook een circulaire voedingseconomie waarvan de output niet de input verstoort. Dat zal een ‘permanente cultuur’ worden die niet plots dreigt stil te vallen wanneer ze op grenzen botst. Permacultuur is echter nog steeds landbouw, wat impliceert dat de grond verstoord wordt. Dat kan echter ook op een positieve manier, waardoor de bodem zelfs meer koolstoffen opslaat dan er uitgestoten worden in de atmosfeer.

Maar dan kunnen we granen niet meer toestaan, en machines met verbrandingsmotoren voor fossiele energie evenmin. We zullen dus ook ons dieet moeten aanpassen. En de bevolkingsgroei kunstmatig doen dalen zonder te wachten op toegenomen welvaart die weliswaar de vruchtbaarheid doet dalen, maar de ecologische voetafdruk tegelijkertijd vergroot. De natuurlijke ruimte die door de mensheid in beslag wordt genomen is veel te groot. Er moet opnieuw ruimte komen voor wilde natuur in reservaten die niet groot genoeg kunnen zijn, maar waar de mens geen voet mag meer zetten. Dergelijke reservaten bestaan al, onlangs werden nog enkele mariene gebieden toegevoegd. Maar het is veel te weinig.

Enkel wanneer de wereldbevolking drastisch minder gaat consumeren, wat voor het rijkere deel relatief gemakkelijk kan mits bijvoorbeeld minder of geen vlees te eten, door toepassing van eerlijke handel en van een eerlijke verdeling van de opbrengsten, en de bevolkingsaanwas onmiddellijk stopgezet wordt, wat daarvan ook de gevolgen zullen zijn op vlak van vergrijzing, kan een klein deel van degenen die de klimaatcatastrofen mogen overleven, misschien nog verder. Verder leunen op het gemak van de verwoestende granen is in elk geval uitgesloten.

 

 

 

bron: “Against the Grain: how agriculture has hijacked civilization.” Richard Manning ISBN 978-0-86547-713-1 , North Point Press 2004.

 

Frank Deurinck